Kribbebijten: Genetische aanleg of imitatiegedrag

Onderzoeksdoel

Ontstaat kribbebijten door imitatie, is er een genetische aanleg voor of is het een combinatie van beide? En hoe denken paardeneigenaren daarover?Onderzoeksresultaat

Van de 3500 paarden die in het onderzoek betrokken waren liet 4,5 % het gedrag van kribbebijten zien. Er bleken duidelijke verschillen per ras te zijn. Bij Engelse volbloeden werd tweemaal zo vaak kribbebijten geconstateerd dan bij alle andere rassen, vijfmaal zo vaak als bij Arabieren en driemaal zo vaak als bij Quarter horses.

Het merendeel van de eigenaren van een kribbebijtend paard (54,5%) denkt dat omgevingsfactoren de oorzaak zijn voor het kribbebijten. 40,9% van de eigenaren gelooft dat het ligt aan een combinatie van omgevingsfactoren en van genetische aanleg. Slechts 3,4% van de eigenaren is van mening dat het enkel aan genetische aanleg ligt.  De helft van de eigenaren (49%) geeft aan te denken dat het paard het kribbebijten heeft gekopieerd van een ander paard dat reeds bekend was met kribbebijten. Echter, bleek dat slechts één procent van de paarden was begonnen met kribbebijten nadat er een kribbebijter op stal was gekomen.

Onderzoeksopzet/uitvoering

Het onderzoek is uitgevoerd door Dr. J. Albright en haar collega’s van de Cornell University’s College of Veterinary Medicine. Voor het onderzoek zijn naar 2000 abonnees van vier paardentijdschriften korte schriftelijke enquêtes opgestuurd. Er kwamen 401 reacties die gezamenlijk over 3500 paarden gingen. Hierop volgde een tweede, meer uitgebreide enquête waarbij ingegaan werd op factoren, zoals: ras, leefomstandigheden en de mening van de eigenaar over kribbebijten.

Extra informatie

Volgens de onderzoekers is het niet zo dat de verschillen tussen de rassen enkel te wijten is aan omgevingsfactoren. Er wordt gesteld dat kribbebijten ontstaat door een combinatie van genetische aanleg en omgevingsfactoren.

Bron

Crib-biting in US horses: Breed predispositions and owner perceptions of aetiology.

J.D. Albright, H.O. Mohammed, C.R. Heleski, C.L. Wickens, KA Houpt. Equine Vet J (2009) 41, blz. 455-458.

Comments are closed.